Concrete poŽzie en nominalistische abstracties

 

Over: Eric Vos, Concrete Poetry as a Test Case for a

Nominalistic Semiotics of Verbal Art, Proefschrift Amsterdam,

1992.

 

 

In het besproken proefschrift wordt de semiotische theorie van

Nelson Goodman geÔntroduceerd om verschijnselen in de concrete

poŽzie te beschrijven. Van de voorgestelde concepten blijkt† met

name dat van de 'exemplificatie'† bruikbaar. De marginaliteit van

het besproken genre heeft echter tot gevolg dat men vraagtekens

kan zetten bij de theoretische pretenties van de auteur. Het

gehanteerde tekstbegrip heeft bovendien als consequentie dat aan

de visuele kenmerken van de 'normale' poŽzie weinig recht wordt

gedaan.

 

 

 

Wie de jaren' 60 en '70 niet bewust of half-bewust heeft

meegemaakt, kan zich misschien weinig voorstellen bij het genre

waar Eric Vos zijn proefschrift aan gewijd heeft, maar het heeft

wel degelijk bestaan: uit relatieve uithoeken als BraziliŽ en

Zwitserland wist zich in korte tijd een aantal dichters naar het

centrum van de avant-garde te manoeuvreren met teksten die soms

nauwelijks teksten waren. Concrete poŽzie kan gebloemleesd

worden, maar evenzeer geŽxposeerd: kenmerkend is dat de grenzen

tussen literatuur en beeldende kunst vervagen. In een concreet

gedicht springen de letters van het woord 'acrobaat' rond als de

acrobaten zelve; de tekst 'het leesbare wordt onleesbaar gemaakt'

overkomt de eigen denotatie in een aantal stadia. In het

Nederlandse taalgebied zijn de activiteiten van concrete

dichters, ondanks een grote tentoonstelling in het Stedelijk in

1970, beperkt gebleven: een enkeling kent misschien de naam van

Hans Clavin; er was voorts een aantal Vlamingen. Het enige vers

in het Nederlands dat Vos uitvoerig bespreekt is een typerend

tekstje van K. Schippers - "nearly concrete" bovendien.

†††††††††††††††† Ik merk dat het moeilijk is om zonder ironie over concrete

poŽzie te schrijven: achteraf lijken al die opzienbarende

grensoverschrijdingen, op een enkele uitzondering na,

voortgekomen te zijn uit de pen van een en dezelfde geÔnspireerde

schoolkrantredacteur. Gelukkig heeft Eric Vos, die mijn mening

niet zal delen, in geen enkel opzicht gestreefd naar een

uitputtende behandeling van het genre: wat hem vooral

interesseert is een theoretische kwestie die raakt aan de

pretenties van de avant-garde sinds de jaren '20 en daarmee aan

centrale opvattingen omtrent de moderne kunst. De concrete

poŽzie is† -† zie de ondertitel van het boek† - uitermate bruikbaar

als 'test-case'.

†††††††††††††††† Het probleem vloeit voort uit de manier waarop de voor-

vechters van het concrete hun revolutie rechtvaardigden. De concrete

poŽzie werd gepresenteerd als een vorm van verzet tegen

geÔnstitutionaliseerd taalgebruik; een man als Eugen Gomringer, de

bekendste concrete dichter wellicht, streefde naar een gedicht

dat een "Gebrauchsgegenstand" kon worden - niet het vehikel voor

gangbare semiotische praktij-

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (192)

 

ken, maar een mogelijk object voor "language games." In de visie

van concrete dichters wordt de semantiek van een taaluiting volstrekt

ondergeschikt aan de materialiteit van de tekens: typografische

arrangementen, het gebruik van geÔsoleerde lettertekens of groepen

van lettertekens, dienen op de een of andere wijze een respons bij de

lezer/kijker op te roepen. De lezer/kijker reageert met name adequaat

wanneer hij zich bewust is van de codes en conventies die ten grondslag

liggen aan het taalgebruik en als min of meer gelijkwaardige

partner van de dichter betekenisvolle constellaties weet te

scheppen. Daarbij kan het een en ander buiten beschouwing worden

gelaten: al scheppend ontdoet men zich, volgens de inleidster van

een befaamde bloemlezing, van een "century-old burden of ideas,

symbolic reference, allusion and repetitious emotional content".

†††††††††††††††† De moeite die Vos heeft met deze visie op de mogelijkheden

van het genre schuilt in de semantische implicaties. In navolging van

de dichters zelf hebben veel theoretici Úf zonder meer ontkend

dat in de concrete poŽzie gerefereerd wordt, Úf gesteld dat dat

op een volstrekt andere manier gebeurt dan gebruikelijk. Vos

vraagt zich in zijn algemeenheid, en zeker in dit geval, af of

het verstandig is poŽticale uitspraken en kunstopvattingen meer

dan een beperkte reikwijdte toe te kennen: een discours dat

effectief is om bepaalde procťdťs ingang te doen vinden, hoeft

niet per definitie van juiste vooronderstellingen uit te gaan;

men kan zich zelfs in de aard van het eigen werk vergissen. De

concrete poŽzie zou van dat laatste een voorbeeld kunnen vormen

wanneer de zeggingskracht van individuele teksten wel degelijk op

referentie en denotatie berust -† ondanks alles wat er beweerd wordt

door de concrete dichters. Met behulp van een semiotische theorie

meent Vos de waarheid van die stelling aan te kunnen tonen† - en

daarmee zijn we bij het eigenlijke onderwerp van zijn boek.

 

 

De nominalistische semiotiek waarvan in de titel sprake is, is

de theorie van Nelson Goodman die in 1976 Languages of Art

publiceerde en daarin een alomvattende theorie omtrent de

verschillende kunstvormen probeerde te ontwikkelen.

Uitgangspunt voor Goodmans beschrijvingen zijn de verschillen tussen

de symboolsystemen waarvan men gebruik maakt: zo maakt hij

een onderscheid tussen kunstvormen als de muziek die een

notatiesysteem kennen en kunstvormen waarin dat niet geval is -

bijvoorbeeld de beeldende kunst. Met het onderscheid correspondeert

een onderscheid wat betreft de aard van de tekens: de tekens van een

partituur - of van de natuurlijke taal - zijn syntactisch disjunct;

de eenheden kunnen geÔdentificeerd worden, het systeem berust op

een eindige differentiatie. Anders ligt de situatie

wanneer de tekens eigenschappen van 'dichtheid' bezitten: de

overgang tussen grijs en lichtgrijs is vloeiend; een grens kan

niet getrokken worden, er is altijd weer een nieuwe tussentint denkbaar.

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (193)

 

 

†††††††††††††††† Wat volgens Vos in de concrete poŽzie gebeurt, is dat taaltekens

†'dichte' eigenschappen krijgen: in tegenstelling tot wat zich normaal bij

poŽzie voordoet hebben de kleur en de vorm van een letter een bepaalde

functie. Om over die functie te kunnen spreken, introduceert hij een aantal

van Goodmans referentiŽle concepten. Het belangrijkste is dat van de

'exemplificatie'; in de ketens van betekenis die door een concreet gedicht

te weeg kunnen worden gebracht en die complex en meervoudig zijn, vormt

exemplificatie vaak een belangrijk onderdeel. Het

verschijnsel komt nog het meest in de buurt van de iconiciteit in

de Peirciaanse semiotiek. In plaats van op voetsporen en

rookpluimen oriŽnteert Goodman zich echter op de attributen van

de handelsreiziger: naar zijn mening zou veel van de semiosis in

de wereld plaatsvinden op de wijze waarop een monster of een

staal betekenis krijgt. Een monster van de kleur 'blauw' verwijst

naar zichzelf; de referent van een monster is niet een extern

fenomeen, maar een eigenschap van het monster. Betekenisvorming

vindt plaats door de verwijzing naar een label; en dat label heeft betrekking

op ťťn van de eigenschappen van het monster, niet op een

object, een gebeurtenis of een toestand. In de beschrijving van vormen van

referentie los van verwijzingen naar de buitenwereld, schuilt Goodmans

nominalisme: een monster roept een onmetelijk arsenaal

van mogelijke labels op en naar slechts ťťn ervan wordt verwezen. Op

analoge wijze onderscheidt Goodman nog een referentiŽle relatie

van expressie; in dat geval wordt gerefereerd naar een label dat

geen betrekking heeft op een werkelijke eigenschap van het teken,

maar op een kenmerk dat als metaforisch kan worden opgevat.

 

 

Vos wijdt het tweede hoofdstuk van zijn boek aan een uitvoerige weergave

van Goodmans opvattingen. Hij doet dat helder en precies en, voorzover
het onderwerp dat toelaat, in vlot leesbaar Engels. Een eigen voorstel in het

nominalistische kader is de systematisering van het onderscheid tussen

aspecten die op de uitvoering van een werk betrekking hebben en op de

interpretatie ervan; enkele verspreide noties in het oeuvre van Goodman

worden in dat verband van een consequente terminologie voorzien.

Gezien de perikelen rond Vos' casus, concrete poŽzie, is die

uitwerking zeker niet onbelangrijk.

†††††††††††††††† De vraag is of hij zijn pretenties waarmaakt. "The Problem

Solved: Referential Structures in Concrete Poetry" luidt de

ondertitel van het derde hoofdstuk, dat werd opgedragen aan twee

concrete dichters die blijkbaar met het probleem worstelden. Met

een aantal analyses van uiteenlopende teksten maakt Vos duidelijk

dat concrete poŽzie inderdaad refereert† - wat men zelf ook mag

denken of bij wijze van rechtvaardiging naar voren brengt. Een

concreet gedicht blijkt allereerst een tekst te zijn die

refereert zoals een tekst normaliter refereert: aan de manier

waarop de opeenvolgende letters van "acrobats" een fenomeen uit

de buitenwereld denoteren, is op zichzelf niets ongebruikelijks.

Door zijn visuele

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (194)

 

 

kenmerken krijgt een concrete tekst echter eigenschappen van

'dichtheid'. Die 'dichte' eigenschappen refereren op hun beurt ook

weer† - volgens Vos altijd door middel van exemplificatie en

doorgaans via een complexe en meervoudige keten. De acrobatische
letters exemplificeren acrobatische eigenschappen; een tekst die

zijn eigen leesbaarheid verhindert, exemplificeert het kenmerk

van onleesbaarheid.

†††††††††††††††† Exemplificatie is in Vos' semiotische beschrijvingen het

sleutelbegrip. Dat blijkt ook in het vierde hoofdstuk, waarin hij

een classificatie van concrete poŽzie probeert op te stellen; in

allerlei descripties en interpretaties is het op een vanzelfsprekende

manier aanwezig. Uitgangspunt bij die poging tot classificatie

is het belang dat in een concreet gedicht aan visuele elementen

kan worden toegekend; het resultaat bestaat uit zes categorieŽn.

Het is opvallend dat Vos daarbij steeds de tekstuele status van

concrete gedichten beklemtoont: de visuele aspecten zijn

ondergeschikt aan het referentiŽle patroon dat door de tekst

wordt gegenereerd. Het zijn betekenissen uit het verbale domein

die worden onderstreept, becommentarieerd of op losse schroeven

gezet. Daarin school volgens Vos dan ook ooit een raison d'Ítre: door

middel van de onorthodoxe hantering van 'dichte' eigenschappen

trachtte men in de jaren '60 en '70 de aandacht te vestigen op de

organisatie van het verbale tekensysteem en de stereotiepe

toepassing ervan. Concrete dichters streefden naar een nieuwe

verhouding tussen "language and life", een verlangen dat ten

grondslag zou liggen aan "all poetry, even literature" (189). Een

pragmatische benadering ziet Vos dan ook als het logische

complement van zijn onderzoek: wat hem daarbij vooral

interesseert is de vraag hoe het mogelijk was dat concrete

dichters in een bepaalde culturele context een positie wisten te

verwerven.

 

 

Die vraag zou niet minder in het verlengde liggen van een ander

fraai, recent verschenen proefschrift† - zij het in dat geval

primair uit overwegingen van chronologie. De kwestie die urgent

is naar aanleiding van Vos' proefschrift is of diens

nominalistische abstracties iets hebben opgeleverd. Vormen ze

inderdaad een conceptueel kader dat de grilligheden van de

concrete poŽzie beschrijfbaar maakt? Wordt, in het licht daarvan,

Goodmans terminologie terecht als uitgangspunt voor een semiotiek

van de literatuur geÔntroduceerd?

†††††††††††††††† De mate waarin Vos' pretenties gerechtvaardigd zijn, komt

naar mijn smaak niet geheel overeen met die van de verstrekkendheid.

Wat me na de lectuur van zijn boek nauwelijks meer discutabel

lijkt, is het inzicht dat concrete poŽzie inderdaad refereert -† hoezeer

men ook het tegendeel nastreeft. Vos' beschrijving van

mogelijke processen van semiosis via een complexe en meervoudige

keten is zonder meer overtuigend. In de observatie dat dergelijke

ketens een belangrijke rol kunnen spelen, zie ik zelfs de

voornaamste theoretische belofte van het boek: wanneer men zou

vaststellen dat schakelingen tussen die ketens

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (195)††††††† †††††††††††††††† ††††††††††††††††

 

op een stereotiepe wijze plaatsvinden zou een semiotiek als die van

Goodman een historische dimensie kunnen krijgen. Het traject

van woord/beeld-grap naar existentiŽle draagwijdte wordt wellicht

via vaste routes afgelegd met als einddoel slechts een

beperkt aantal uiteindelijke betekenissen. Een proces, niet van

uitwaaiering, maar zoiets als inwaaiering zou dan ten grondslag

kunnen liggen aan bepaalde vormen van semiosis† - in ieder geval

aan de vormen van semiosis die onder consumenten van het concrete

gangbaar zijn. Historische beschrijvingen van het

genre, van de opkomst en ondergang van subgenres en van allerlei

soorten kruisverbanden, zou men wellicht kunnen baseren op een

gelimiteerd aantal variaties, op een repertoire aan

mogelijkheden. Een betrekkelijk marginaal genre als de concrete

poŽzie leent zich misschien voor een morfologie in de traditie

van Propp.

†††††††††††††††† Vos zelf beschouwt ongetwijfeld zijn introductie van het

concept 'exemplificatie' als zijn belangrijkste bijdrage tot de

literatuurtheorie. Zijn weergave van Goodmans begrippenapparaat

is, zoals gezegd, buitengewoon helder. Dat een nominalistische

semiotiek wordt geprefereerd, lijkt me bovendien terecht: de

epistemologische verwikkelingen die Peirce en Eco zich op de hals

halen, zijn in Goodmans benadering zonder meer irrelevant. Dat de

interpretatie van tekens ten grondslag ligt aan de verhouding tussen

het subject en de buitenwereld, is ook allerminst noodzakelijk,
wanneer het functioneren van menselijke artefacten in het geding is.

Die waardering neemt echter niet weg dat ik mijn bedenkingen heb

bij het belang dat Vos het verschijnsel op zichzelf toekent; of zijn

studie werkelijk een† 'test-case' genoemd kan worden, lijkt me

twijfelachtig. Om dat toe te lichten, zal ik ingaan op een voorbeeld

van exemplificatie in een genre dat misschien wel haaks staat op

dat van de concrete poŽzie: de op een wat andere manier eveneens

'beeld'-rijke, maar vooral ook woordenrijke poŽzie van de Vijftigers.

 

 

Het bekendste gedicht van Lucebert is, naar men mag

veronderstellen, "Ik tracht op poŽtische wijze". Het is in elke

schoolbloemlezing terug te vinden en leidde tot menige

interpretatieve beschouwing. Met name de beginstrofe trok

ruimschoots de aandacht: "ik tracht op poŽtische wijze/ dat wil

zeggen/ eenvouds verlichte waters/ de ruimte van het volledig

leven / tot uitdrukking te brengen." Over een aantal kwesties

lopen de opinies volstrekt uiteen. Waar liggen de syntactische

grenzen? Wie of wat zijn de verlichte waters? Wat is de attitude

van het lyrisch subject ten aanzien van 'eenvoud'?† Een oplossing

die de tegenstrijdigheden verenigt, is om de lectuur van een

dergelijke strofe onafhankelijk te stellen van de leesconventie

'coherentie': van de lezer zou in het geheel geen unificerende

respons worden gevraagd. De ambiguÔteit zou (in deze fase van het

gedicht) teruggevoerd moeten worden op een principiŽle

ambivalentie.

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (196)

 

Wanneer men Vos' begrippenapparaat accepteert, zouden de procťdťs

in het gedicht in dat geval een onvermogen tot betekenisgeving

exemplificeren. Het zou betekenen dat een bepaalde vorm van semiosis

benoemd kan worden en een interpretatie vanuit een systematisch kader

beschreven. Er is echter ťťn fenomeen dat ook dan onverklaard blijft

en dat is dat voor de werking van het gedicht die - wellicht - adequate

interpretatie niet van belang was. "Ik tracht op poŽtische wijze" is

niet in de schoolboekjes terecht gekomen omdat men van een coherentie-

conventie afzag: men heeft juist op alle mogelijke manieren coherentie

proberen aan te brengen. Ik vermoed dat daarbij niet de juiste vorm van

betekenistoekenning, maar de mogelijke aard van het interpretatiekader

de doorslag gaf; waarschijnlijk was men bij dit gedicht als

bij geen ander in staat om een verband te zien met een "century-old

burden of ideas, symbolic reference, allusion and repetitious

emotional content". Van goede poŽzie verwacht men waarschijnlijk

een dergelijk verband: ik betrap me er zelf ook op dat de weinige

concrete gedichten die indruk maken, juist degene zijn waaraan

een niet al te triviale totaalbetekenis kan worden toegekend.

†††††††††††††††† Dat zou inhouden dat niet de wijze van refereren van

belang is in het literaire leven, niet primair althans, maar de aard

van de referenties. Als Vos wil dat zijn boek een 'pilot-study' is, dan

zal zich eerst een verandering in de literaire smaak moeten

voordoen. De marginale status van zijn veelvuldig

exemplificerende object geeft voorlopig weinig aanleiding tot

optimisme. Ik zie evenmin gebeuren dat de zgn. 'intermedia',

waarvoor een spectaculaire rol zou zijn weggelegd, op korte

termijn onvermoede inhouden oproepen. Het concept exemplificatie

is verhelderend, voorzover een reŽel existerend fenomeen wordt

beschreven. Over de uitgebreidheid van die reŽle existentie kan

men van mening verschillen.

 

 

Wat mij ronduit tegen is gevallen in Vos' benadering, is de mate

waarin hij in zijn algemeenheid recht weet te doen aan het

visuele aspect van poŽzie. Aan het slot van zijn boek wijst hij

nadrukkelijk op de continuÔteit tussen concrete poŽzie en de meer

'gewone': slechts doordat ze woordbetekenissen exemplificeren,

hebben de visuele aspecten in een concreet gedicht betekenis.

Visuele kenmerken refereren niet op de manier waarop dat gebeurt

in de beeldende kunst: op zichzelf denoteren ze niet en ze zijn

evenmin het voertuig voor een expressie. Vos gebruikt het

onderscheid ter ordening van allerlei overgangsvormen tussen de

concrete poŽzie en 'echte' beeldende kunst.

†††††††††††††††† Mijn bezwaar geldt niet primair die poging tot classificatie,

ook al zullen bizarre cesuren in het werk van individuele kunstenaars

er het gevolg van zijn. Het probleem schuilt in een theoretische

voorwaarde voor die classificatie: Vos maakt visuele aspecten

volledig onafhankelijk van de identiteit van een poŽtische tekst. Die

identiteit wordt bepaald door

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (197)

 

de woorden en de manier waarop ze refereren. Visuele eigenschappen,

die ook in de opinie van Vos een belangrijke bijdrage kunnen leveren

aan het esthetisch functioneren van een tekst, zijn afkomstig uit een

domein dat van ondergeschikt belang is voor wat door hem de

'theoretische identificatie' wordt genoemd. Visuele eigenschappen

zijn vaak "integral to a poem", maar - moet men naar aanleiding van

een opmerking van Goodman concluderen† - ze zijn dat blijkbaar niet

altijd (108/109).

†††††††††††††††† Het is de vraag of een dergelijke stelling houdbaar is sinds men

poŽzie is gaan lezen. De classificerende en identificerende activiteiten

van bijv. de lezer van een sonnet zouden wel eens volledig afhankelijk

kunnen zijn van de waarneming van een visuele structuur. De

schoolboekjeswijsheid dat het wit op de pagina kenmerkend is

voor een gedicht, laat misschien ten onrechte ritmische en

retorische effecten buiten beschouwing - Diana Ozon of een 'rap'-

dichter zullen niet begrijpen wat er bedoeld wordt - maar aan

het proces van perceptie bij de meeste lezers wordt ongetwijfeld

rechtgedaan. Wat zich wreekt bij Vos, zijn de beperkingen van een

semiotische invalshoek: wanneer het gaat om kwesties van

identiteit en identificatie spelen betekenissen waarschijnlijk

nauwelijks een rol. Waarschijnlijk zijn demarcaties tussen genres

en subgenres het meest coherent te beschrijven in het licht van

de manier waarop de zintuigen informatie verwerken, op basis van

de wetten van oog en oor. Een gedicht dat gelezen wordt

verschilt waarschijnlijk principieel van een gedicht dat gehoord

wordt - misschien bestaat er geen fenomeen dat 'theoretisch' kan

worden geÔdentificeerd. Als homo semioticus heeft Vos misschien

te weinig gevoel voor de orde waaraan geen betekenis kan worden

gegeven.

 

 

Dat neemt niet weg dat hij de wereld heeft verrijkt met een

behartigenswaardig proefschrift. De helft van het

literatuurwetenschappelijk onderzoek zou betrekking moeten hebben

op de poŽzie; in Concrete Poetry werd een interessante

vraagstelling opgeworpen en een bruikbaar concept geÔntroduceerd.

Opmerkelijk genoeg is Vos' Engels leesbaarder dan

het Nederlands van zijn samenvatting en van een recent artikel in

Forum der Letteren - aan deze lezer kan dat niet liggen. Als

practicus blijkt de auteur bovendien wel degelijk gevoel voor

visuele orde te bezitten; de wijze waarop de noten in de marge

van de tekst werden verwerkt, vind ik een vondst. Minder gelukkig

is de typografie van de citaten, die in een ander lettertype dan

de eigenlijke tekst werden afgedrukt, maar wel in hetzelfde

corps; vooral wanneer ze meer dan de helft van een pagina

beslaan, wekt dat verwarring. Het betrekkelijk grote aantal

drukfouten tenslotte is, naar ik vrees, onvermijdelijk in een

dergelijk product van tekstverwerkende huisvlijt. Desgewenst kan

men er echter even gemakkelijk overheen lezen als de auteur zelf.

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (198)

 

Opmerkingen

 

 

Het artikel in Forum der Letteren, waarin onder meer de theorie

van Goodman kort wordt weergegeven, is "Tekst, beeld en ruimte:

enkele methodologische problemen bij de bestudering van

intermediale relaties" FdL 33 (1992), nr. 4, 241-257. Mary Ellen

Solt redigeerde de bloemlezing Concrete Poetry; a World View,

Bloomington etc. 1970; het aangehaalde citaat op p. 8. Zie voor

de interpretatie van Luceberts gedicht J.J. Oversteegen,

Anastasio en de schaal van Richter; bespiegelingen over

literatuur, filosofie, literaire kritiek en literatuurwetenschap,

Utrecht 1986, p. 33 e.v. Het verband tussen verschillende

leeswijzen en de wetten van oog en oor komt onder meer aan de orde

in Paul Zumthor, La lettre et la voix; de la "littťrature" mťdiťvale,

Paris 1987 en Richard Bradford, Silence and Sound; Theories of

Poetics from the Eighteenth Century, London etc. 1992.

 

†††††††††††††††† †††††††††††††††† †††††††††††††††† (199)

 

 

ĎConcrete poŽzie en nominalistische abstracties; over Eric Vosí

Concrete Poetry as a Test Case for a Nominalistic Semiotics of

Verbal Artí, in: Frame 8 (1993) nr. 3,† p. 192 Ė 199

 

© Gert de Jager