(…)

Nina Werkman is maar ten dele debutant. (…) Zij en haar medegenomineerde Gert de Jager zijn ook geen jonge debutanten. De jury van de Buddingh’-prijs selecteert bewust niet op leeftijd, maar 1947 en 1957 lijken toch niet te verwachten geboortejaren. Ouwelijk kun je de poëzie van Werkman en De Jager niet noemen, maar beider werk toont een gerijpte geremdheid. Bij De Jager wordt die benadrukt door de cerebrale onderwerpskeuze en formulering. Er staan solide verzen in Sterk zeil, maar te vaak herken ik de rode correctiepen van de leraar Nederlands en de geodriehoek van de wetenschapper. Het is allemaal bedachtzaam, dus vaak ook bedacht. ‘Het principe van het zelfbewustzijn’ en ‘Studie van een man die uit een graf klimt’ zijn ontspannende zijpaden in dit cerebrale spoornet, maar wie en waar is Gert de Jager? Schuilt hij misschien in ‘Het hoogstpersoonlijke’? Maar nee, ook in dat vers wordt de lezer op afstand gezet.

(…)

 

Arie van den Berg, ‘Poets je snavel, doe je haar los’,  NRC Handelsblad 11 juni 2010