De mythe van Montyn

 

Gert de Jager

 

 

Samenvatting

 

Montyn van Dirk Ayelt Kooiman werd in 1982 door auteur en uitgever gepresenteerd als een op feiten gebaseerd levensverhaal waarin gebruik gemaakt werd van literaire technieken die doorgaans aan fictie zijn voorbehouden. Als voorbeeld van faction vond het boek grote weerklank bij kritiek en publiek. Montyn bevat echter zoveel onwaarschijnlijkheden en tegenstrijdigheden dat de feitelijke basis van het boek zeer onaannemelijk is. Fictionele procedés bevorderen op zichzelf een willing suspension of disbelief; in dit geval werd die welwillende attitude van de lezer nog versterkt door expliciete leesinstructies op de kaft en in een opmerking vooraf. De feitelijkheid van het boek werd niet ter discussie gesteld. De ontvangst van Montyn laat zien hoezeer orkestratie het lot van een boek kan bepalen.

 

 

 

Een documentaire roman

 

In oktober 1982 verscheen Montyn van Dirk Ayelt Kooiman. Wat het boek was en wilde zijn, maakte de achterkaft goed duidelijk: ‘Dit boek, de levensgeschiedenis van de kunstenaar Jan Montyn, houdt het midden tussen een biografie en een roman. Het is een biografie omdat het gebaseerd is op historische feiten, maar het heeft tegelijk het karakter van een roman omdat met literaire middelen de werkelijkheid van toen, van de loopgraven van het Oostfront tot de napalmbombardementen van Vietnam, voelbaar wordt gemaakt.’ Daarmee is het boek een ‘documentaire roman’ die geplaatst moet worden in de Amerikaanse traditie van de faction;  illustere vertegenwoordigers van die traditie zijn Truman Capote en Norman Mailer. Met Montyn doet ‘een in ons taalgebied nog niet geëxploreerd genre’ zijn intrede in de Nederlandse literatuur.

                 Of het laatste helemaal opgaat voor een literatuur waarin een gefictionaliseerde autobiografie, de Max Havelaar, de klassieke tekst bij uitstek vormt, is de vraag. Hoe dan ook: in het geval van Montyn werd de kafttekst gebruikt als een aanwijzing voor het publiek – bijna als een regieaanwijzing. De potentiële lezer kreeg de nogal dwingende suggestie om wat hij tussen de kaften aantrof op een bepaalde manier tot zich te laten doordringen – wat hij las werd met literaire middelen gepresenteerd, maar het was een verslag van feiten. Een historisch subject, Jan Montyn, had alles wat beschreven was, meegemaakt en de literaire middelen dienen om zijn werkelijkheid ‘voelbaar’ te maken. De weerklank die het boek vond, laat zien dat auteur en uitgever in hun opzet zijn geslaagd. De critici reageerden enthousiast en het boek moet door tienduizenden zijn gelezen. Montyn beleefde elf reguliere drukken en kwam daarna uit als Rainbowpocket; als Bulkboek en als Grote Lijster vond het zijn weg in het middelbaar onderwijs. Als A Lamb to Slaughter; an Artist among the Battlefields verscheen het al snel in het Engels; nog niet zo lang geleden, in 2006, volgde een vertaling in het Duits. Een toneelbewerking onder de titel Slachtlam maakte in 2009 een ronde langs de Nederlandse en Vlaamse theaters. De voorstelling is dit voorjaar hernomen onder de titel Montyn.

                 Dat Montyn geen fictie bevat, wordt ons voor het eigenlijke levensverhaal begint nogmaals verzekerd. ‘Dit boek werd geschreven aan de hand van vraaggesprekken die gehouden werden tussen november 1979 en juni 1982,’ staat in een opmerking vooraf. In een interview met de Haagse Post spreekt Kooiman van ‘zo’n honderd uur geluidsband’ (Rooduijn 1982). De banden werden uitgetypt; het resulteerde in 3600 pagina’s tekst. De tekst werd bewerkt tot een chronologisch verteld levensverhaal dat wordt verteld in de ik-vorm. Dat ‘ik’ was het ‘ik’ van Jan Montyn - niet dat van de auteur wiens naam op de titelpagina staat. Het was Kooimans belangrijkste literaire ingreep. Het maakte hem mogelijk om zich in zijn hoofdpersoon te verplaatsen en ‘te formuleren wat de ander niet beschrijven kan’. Wat de ander niet beschrijven kon, waren emoties, dromen, verlangens. In een interview uit 1996 in Het Parool gaat Kooiman er meer gedetailleerd op in: ‘Als ik hem vroeg wat voor indruk dat gemaakt had, zei Jan zoiets als “Nou ik was sprakeloos.” Daar had ik natuurlijk niet veel aan. En omdat dat toch tamelijk algemene noties zijn, heb ik mezelf verplaatst in die situaties en mijn eigen gevoelens en noties gebruikt. Ik heb geprobeerd om in ieder hoofdstuk zo’n collectieve ervaring kwijt te kunnen (…) Het waren wel de passages waar ik het meeste aan beleefde, eilandjes van rust in al dat geschiet en gebombardeer, want dat aspect is voor mij altijd wezensvreemd gebleven’ (Lindo 1996). Niet alleen uitspraken van de auteur lieten er geen twijfel over bestaan dat het geschiet en gebombardeer de feitelijke basis vormden van het boek, ook Jan Montyn bevestigde het wanneer hem ernaar gevraagd werd. Het meest uitvoerig gebeurde dat in 1992. In een bijna vijf uur durend marathoninterview voor de VPRO-radio vertelde hij interviewer Chris Kijne nogmaals zijn verhaal.1

 

 

In 1982 liet ik Montyn ongelezen. Het boek leek mij een tamelijk rechttoe rechtaan vertelde levensgeschiedenis en daarom niet heel erg interessant. De recensies uit die tijd brachten me niet op andere gedachten. De reputatie die het boek in de decennia erna verwierf evenmin. De lectuur van het boek adviseerde ik soms aan lezers die van actie leken te houden.

                 Toen ik het boek een jaar geleden toch las, deed ik dat met een ander referentiekader dan de kafttekst uit 1982 probeerde aan te reiken. Juist de laatste tijd zijn er nogal wat als authentiek gepresenteerde oorlogsherinneringen als fantasme ontmaskerd. Nederland kende de affaires Voeten, Büch en Friedman. De gruwelijke jeugdherinneringen van de Zwitser Binjamin Wilkomirski bleken volledig gefabuleerd; de Belgische Misha Defonseca bleek niet gered te zijn door een roedel wolven; de liefdesgeschiedenis van Herman Rosenblat, met appels die over het hek van Buchenwald werden gegooid, was een te fraai sprookje. Ten tijde van Montyn had Nederland weliswaar de Weinreb-affaire gekend, maar dat was een door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie afgehandelde kwestie. Bovendien: het was juist de literator Kooiman, de voorman van het spraakmakende tijdschrift De Revisor, die zoveel getheoretiseerd had over de verhouding verbeelding – werkelijkheid; er was de kafttekst; er was het historisch subject Jan Montyn dat regelmatig de publiciteit zocht. Omdat Montyn een spannend verhaal was in de ik-vorm leek het wel fictie – een genre dat op zichzelf al een willing suspension of disbelief veronderstelt. Voor een lezer die van alle kanten te horen krijgt dat juist dit boek gebaseerd is op feiten, is er al helemaal geen aanleiding om tot iets anders over te gaan dan belief.  Dertig jaar later lijkt dat minder vanzelfsprekend.

                 Montyn vertelt het verhaal van een jongeman uit een provinciaal calvinistisch milieu, die, om aan dat milieu te ontsnappen, zich aanmeldt als lid van de jeugdbeweging van de NSB, dienst neemt bij de Kriegsmarine, getorpedeerd wordt, vecht aan het Oostfront, krijgsgevangen wordt gemaakt, zich wil revancheren in Korea, terecht komt in een psychiatrische inrichting, kunstenaar wordt en – ten slotte – weeskinderen uit Vietnam overbrengt naar de Verenigde Staten en Europa. Het probleem is niet dat dit alles niet in grote lijnen waar zou zijn – want dat is het volgens mij – en al helemaal niet dat oorlogsdilemma’s niet voldoende ‘voelbaar’ zouden worden. Iemand die in 1944 moest kiezen tussen de Arbeitsdienst en de Kriegsmarine wordt met een keuze geconfronteerd die een naoorlogse lezer zich nauwelijks voor kan stellen. Het probleem is evenmin dat wat de historische Jan Montyn meemaakt, niet voldoende zou zijn om een boek te vullen. Het probleem is dat Montyn gevuld wordt met veel meer dan dat: met alles wat aan dramatische situaties in op zichzelf al dramatische omstandigheden denkbaar was. Wie niet zonder meer bereid is zijn kritische vermogens uit te schakelen, komt bij zijn lectuur van Montyn heel wat onwaarschijnlijk geschiet en gebombardeer tegen. Juist het geschiet en het gebombardeer, de gebeurtenissen waarvan Jan Montyn als getuige of participant verslag deed, zijn nogal eens ongeloofwaardig – niet wat Kooiman aan emoties, dromen en verlangens toevoegde. Soms lijkt Montyn minder het levensverhaal van een man dan een koortsige optelsom van bijna alles wat er in Polygoonjournaals, oorlogsfilms en oorlogsboeken aan oorlogsbelevenissen te vinden is.

                 In het boek tel ik 41 dramatische scènes. Daarvan geloof ik van zeven dat ze zich hebben voorgedaan zoals ze worden gepresenteerd, vermoed ik van achttien dat ze òf berusten op fantasie òf aanzienlijk door de herinnering zijn vervormd en weet ik van zestien eigenlijk wel zeker dat ze niet meer zijn dan een fantasievoorstelling – nachtmerries soms, maar ook wensdromen waarin de hoofdpersoon terecht komt in een oorlogssituatie die op zichzelf een boek waard is. Een voorbeeld daarvan is in mijn telling scène nummer vijf, een sleutelscène uit het boek. Daarin verrichten Montyn en zijn kameraad Hein hun eerste oorlogshandeling – nog voor ze soldaat zijn. Die daad laat meteen al zien hoezeer keuzes in oorlogstijd worden bepaald door het toeval.

 

 

Een tranceachtige atmosfeer          

 

Jan en Hein nemen eind 1943 als lid van de Jeugdstorm voor de tweede maal deel aan een weersportkamp in Oostenrijk, waar ze bijna als aspirant-militairen worden gedrild. Wanneer ze vrijaf hebben, bezoeken ze cafés in naburige dorpen. De jongemannen krijgen veel aandacht: ‘Het was een landelijke, geïsoleerde streek. Dat Europa een strijdtoneel was, viel uit weinig meer op te maken dan het enorme overschot aan vrouwen’ (76). Op een avond ontdekken ze tussen die vrouwen Monika. ‘Ze was slank, had zacht, kastanjebruin haar, donkere ogen, hoge jukbeenderen. Dat was nog eens wat anders dan die blonde, plompgebouwde vrouwen uit de streek’ (79). Monika blijkt een oorlogsweduwe te zijn en afkomstig uit Servië. Ze woont in ‘een groot, afgelegen landhuis, omgeven door een uitgestrekte tuin, een uur lopen van het dorp’ (80) Ze speelt Chopin voor de jongens, palmt met name Hein volledig in en blijkt er een wat andere kijk op de oorlog op na te houden. Uiteindelijk vraagt ze Hein om als bewijs van zijn liefde een sabotagedaad te plegen en een Duitse munitietrein te laten ontsporen. Zonder er verder veel bij na te denken doen de jongens wat ze vraagt. Wanneer ze een paar dagen later Monika weer op willen zoeken, is ze verdwenen. ‘We informeerden in de buurt. Nee, een zekere Monika kenden ze niet. Dat afgelegen huis? Dan moesten we ons vergissen. Het was in de winter onbewoond. ’t Was het vacantieverblijf van een advocaat uit Wenen’ (85).

                 Een jaar later, nadat hij dienst heeft genomen heeft bij de Kriegsmarine, getorpedeerd werd in de Oostzee en gewond is geraakt aan het Oostfront, denkt Jan terug aan zijn bijzondere avontuur: ‘En ik herinnerde me de woorden van Hein, tijdens één van onze korte ontmoetingen in de loopgraaf, vlak voor zijn dood – ik herinnerde me zelfs de toon waarop hij ze had uitgesproken: “Waarom heeft ze ons godverdomme niet meegenomen. Dan hadden we nu in Joegoslavië gezeten, bij de partizanen… “’ (182).  Niet alleen om de relativering van de schuldvraag is dit een opmerkelijke passage. Bijna veertig jaar later, wanneer hij verslag doet van zijn belevenissen, herinnert het ik-personage in Montyn zich dat hij zich bijna veertig jaar eerder een toon herinnerde. Met de herinnering van dat personage kan moeilijk iets mis zijn; het boek bevat meer van dit soort passages die de lezer de authenticiteit van wat er gebeurd is min of meer inwrijven. Des te vreemder is het dat tien jaar later, in zijn gesprek met Chris Kijne, Montyn juist op deze cruciale gebeurtenis niet in wil gaan: hij heeft ‘nog zo veel meer beleefd’ en is ‘er niet mee bezig’. Een traumatische verdringing kan daarvan moeilijk de oorzaak zijn – het gaat met terugwerkende kracht om een heldendaad. Vervolgens herinnert Montyn zich wel exact de keiharde training die hij kreeg in het weersportkamp en praat hij daar een minuut of vijf over.

                    Het avontuur van Jan en Hein is te mooi om waar te zijn – het is, zoals veel belevenissen in het boek, te clichématig: een scène uit een jongensboek. Niet alleen geeft Montyn een ontwijkend antwoord wanneer hem rechtstreeks naar zoiets dramatisch wordt gevraagd en noemt hij wel allerlei andere details, ook het verslag in het boek zelf is ongeloofwaardig. Om te beginnen is het oncontroleerbaar. Jan is de enige bron: Hein is dood, Monika verdwenen, de dorpsbewoners weten van niets. Vooral het laatste is vreemd: het is Monika blijkbaar gelukt om zich onopgemerkt op het Oostenrijkse platteland op te houden. Ze verschijnt herhaaldelijk in een café waar niemand zich afvraagt waar ze verblijf houdt. Ze bivakkeert in een villa zonder dat iemand het merkt. Het wekt de suggestie van een anonieme wereldstad, maar we zijn op het platteland. Tenzij alle vrouwen van een heel Oostenrijks dorp, wier mannen vochten aan de verschillende fronten, betrokken waren bij een antifascistisch complot, is het weinig aannemelijk dat niemand in de omgeving de opvallende Monika zelfs maar heeft gezien.

                 De enige die haar gezien heeft, is dan ook Jan Montyn. Monika is een fantasme – een fantasme dat wordt opgeroepen in gesprekken waarin een ‘foute’ Nederlander de grenzen van goed en fout probeert te slechten. De gesprekken – ‘ongeveer 30 hele dagen en halve nachten,’ schrijft Kooiman later in het Bulkboek (2) –  vonden plaats in een tranceachtige atmosfeer. In 1948 ontmoette Montyn, tijdens een verlof uit een heropvoedingskamp in Nunspeet, toevallig Van Randwijk. Na een indringende gedachtewisseling met wat een prominente verzetsman bleek te zijn ‘las ik alles wat los en vast zat en over de oorlog handelde.’ Ik vermoed dat deze halve zin op pagina 250 de sleutel vormt tot het boek. In Montyn lezen we een verslag van wat Jan Montyn aan dramatische situaties meemaakte en van wat hij zich, onder meer op basis van lectuur, aan dramatische situaties voorstelde. In zijn verteltrance gingen beide soorten gebeurtenissen door elkaar lopen. Beide berustten ze op herinnering: op herinnering aan lectuur en op herinnering aan wat er werkelijk was voorgevallen. Voor het geestesoog van degene die de herinnering opriep, waren ze even reëel. Het boek Montyn is geschreven ‘aan de hand van vraaggesprekken,’ zoals het woord vooraf meldt. Wat we aan feiten in het boek tegenkomen, werd echter voor een groot gedeelte gegenereerd door die vraaggesprekken zelf.

                   Hoezeer het bewustzijn van de verteller de feitelijkheden kleurt, laat meteen de eerste dramatische scène uit het boek zien. Het hoofdpersonage groeit op in een bevindelijk calvinistisch milieu – het milieu waarin de voorzienigheid Gods het lot van de mens bepaalt. Jans vriendje Piet wordt ziek: ‘Piet was aangetast door polio, waartegen hij dus, evenmin als ik, was ingeënt. Want dat was tegen Gods gebod. In minder dan een week was het gebeurd…’ (29). Dat Montyn is opgegroeid in een dergelijk milieu is belangrijk in het boek: er wordt verband gelegd tussen de wereldvreemdheid waarmee hij van jongs af aan is geconfronteerd en zijn latere keuzes. Het is een milieu waarin de boven ons gestelde overheid gehoorzaamd moet worden, ook als dat de Duitse is.

                 Het verband is niet onaannemelijk – dat het bestond, kon voor Jan Montyn aan het eind van de jaren zeventig, wanneer hij zijn verhaal vertelt, een diepgewortelde overtuiging zijn. Op puur feitelijk niveau, als het om de dood van zijn vriendje gaat, heeft hij het echter mis. Vaccins tegen polio werden pas ontwikkeld in de jaren vijftig. In Nederland vond in 1956 de laatste grote uitbraak plaats. Een jaar later ging de poliovaccinatie deel uitmaken van een inentingsprogramma; nog weer een paar jaar later was de ziekte vrijwel geheel uit Nederland verdwenen.2 Veel ophef veroorzaakte een kleine epidemie in 1978 op de Veluwe en in Staphorst: de gespannen verhouding tussen religieuze moraal en medische noodzaak leidde tot veel media-aandacht en een nationale discussie. Voor heel weldenkend Nederland kwam het milieu waaruit Jan Montyn afkomstig was, in een kwaad daglicht te staan. Een jaar later begon hij aan Dirk Ayelt Kooiman het verhaal van zijn leven te vertellen.

                

 

Zeven scènes die op waarheid berusten, achttien die – zoals het verhaal over het vriendje - door de verbeelding getransformeerd zijn of om andere redenen twijfelachtig, zestien die ontleend zijn aan een internationaal arsenaal aan oorlogsgeschiedenissen. Over die aantallen kan vast gediscussieerd worden.3 Toch: het zou me verbazen als een lezer van Montyn die zijn willing suspense of disbelief opgeeft, tot radicaal andere conclusies komt. Tot de laatste categorie, die van het volledig fantasmagorische, reken ik onder meer: de verkrachting van Jan door drie boerenmeisjes in een Oostenrijks dorp, zijn fietstochten in Duits uniform door bezet Nederland in de winter van 1945, zijn toevallige bijna-executie door een verzetsgroep, zijn wandelingen in diezelfde tijd met een joodse dokter door Oudewater, zijn aanwezigheid bij het bombardement van Dresden met het volledige uitzicht daarop en vervolgens het puinruimen, zijn overgave aan de Amerikanen als ‘allerlaatste Duitse post’, zijn ontsnapping uit krijgsgevangenschap en zijn aanmelding bij het Vreemdelingenlegioen, zijn redding uit het Vreemdelingenlegioendankzij een hevig verliefde prostituee uit Marseille met de naam Loulou, een schijnexecutie in krijgsgevangenschap, het gesprek met Van Randwijk, zijn aanwezigheid bij de burgeroorlog in Griekenland, zijn kortstondige huwelijk met de dochter van een Japanse samoerai-kolonel, zijn toevallige betrokkenheid bij een nationale ontvoeringszaak, een tocht alleen door de Vietnamese jungle – ‘Toen scheidden onze wegen’ (340) -, zijn gevangenneming door het Zuid-Vietnamese leger en het drie dagen durende verblijf in een onderaardse cel dat daarop volgde.

                 Bij dit alles is een aantal zaken opvallend. Wie Montyn als historische bron wil gebruiken, kan het meeste van wat wordt verteld onmogelijk controleren. Hoewel hij zich in veel sociale verbanden begeeft, heeft de hoofdpersoon bij nogal wat van zijn avonturen geen gezelschap. Zijn maten in de oorlog sneuvelen of verdwijnen uit het zicht met niet meer dan een voornaam. Een Loulou zal moeilijk zijn op te sporen. Verder worden ingrijpende ervaringen als het bombardement op Dresden en de horrorachtige gevangenschap in Zuid-Vietnam uiterst kort en vooral ook volgens een schabloon verteld. Het kan berusten op een compositorische keuze van Kooiman om niet meer dan een bladzijde aan zulke gebeurtenissen te besteden. Van Jan Montyn heeft Kooiman echter niet het miniemste sprekende detail te horen gekregen – we lezen niets wat niet in geschiedenisboeken of krantenartikelen is terug te vinden. Het meest veelzeggend is ten slotte misschien wel het gebrek aan praktische beperkingen waarmee het hoofdpersonage reist. Een matroos van de Kriegsmarine die begin 1945 in uniform door bezet Nederland fietst, moet om de haverklap zijn aangehouden met de vraag waarom hij niet aan het front was. Na de overwinning van de Geallieerden ontvlucht een kersverse krijgsgevangene tamelijk moeiteloos een kamp in Noord-Duitsland om naar Straatsburg te gaan; zes weken later lift hij als gedeserteerde legionair niet minder moeiteloos terug vanuit Marseille. Een sterk staaltje leidt het slotakkoord van het boek in. Wanneer Montyn in Vientiane is, wil hij uit pure nieuwsgierigheid naar het front in Vietnam; hij gaat op weg met leden van de Pathet Lao, de Laotiaanse verzetsbeweging. Midden in de jungle, na vijf dagen reizen, ligt de bestemming van zijn metgezellen in het zuiden en zet Montyn koers naar het oosten voor een tocht van drie dagen – alsof de een afslaat en de ander rechtdoor gaat. Montyn is helemaal alleen en heeft ‘niets bij me dan een schoudertasje waarin een paspoort, een schetsboek, een scheerapparaat met uitgeputte batterijen, een tandenborstel en wat zouttabletten tegen overmatig zweten’ (340). Het is een vorm van traveling light  waarvoor Laotiaanse guerrillastrijders weinig waardering zullen hebben gehad. Het is onvoorstelbaar dat ze een westerling met een dergelijke uitrusting als reisgezel zouden hebben geaccepteerd; het zou tegen hun ethiek indruisen om hem moederziel alleen op weg te laten gaan. Montyns metgezellen kenden het tropisch oerwoud – hij zou met geweld zijn tegengehouden. 

                 Het was vooral Jan Montyns verbeelding die reisde zonder praktische beperkingen. Hoe dat werkte, toont zijn reis naar de Griekse burgeroorlog in wel heel kort bestek – dat van nog geen bladzijde. In 1948 komt Montyn vrij na een verblijf van drie jaar in krijgsgevangenschap en een heropvoedingskamp. Op de avondschool maakt hij kennis met ‘de Griekse beschaving, onze culturele bakermat’ (252). Die wil hij met eigen ogen zien. ‘Liftend trok ik door Europa. Duitsland, Italië, Joegoslavië. En tenslotte, te voet door een kurkdroog berglandschap, Macedonië, Griekenland. Ik was op zoek naar de Helleense beschaving – die ik meende te zullen aantreffen ongeveer zoals meester Flipse het verteld had - en ik trof een klein dorpje, brandend, half uitgemoord. Wat er aan de hand was, begreep ik niet’  (252). De ‘ik’ vindt tientallen lijken waarvan het hoofd van de romp gescheiden is; uit het dorp zijn bovendien alle kinderen meegevoerd. ‘Het was een strijd die wreder was dan ik ooit ervaren had: een strijd van burgers tegen burgers, zonder discipline, zonder hiërarchie, waarin zelfs een kind als vijand gold. Ik liep erdoor. Ik keek. Ik wist wel wat van Eerste Hulp. Ik had een grote bedrevenheid in het aanleggen van noodverband. – Ik verkeerde weer in oorlogstijd. Drie weken lang en ongewild’ (252-253). Montyns oorlogservaring in Griekenland bevat in een notendop het hele boek – het is een mise en abyme. Wat een jongeman uit Oudewater is overkomen, overkomt dorpelingen uit onze culturele bakermat. Het overkomt de hele mensheid – telkens weer en ongewild. Toch wordt voor deze schokkende belevenissen nog geen bladzij ingeruimd. Liften door Europa was in 1979 een vanzelfsprekendheid. Dertig jaar eerder was het onmogelijk: het was een Europa van streng bewaakte grenzen, moeilijk verkrijgbare visa en zeer beperkte deviezen. Bovendien: een stevig doorstappende Hollander zal in het Macedonische en Griekse berglandschap niet onopgemerkt zijn gebleven. Het is ondenkbaar dat hij zonder argwanende blikken en een forse ondervraging een uitgemoord Grieks bergdorp kon bereiken. Montyns reis naar Griekenland heeft zich alleen in zijn hoofd afgespeeld - terwijl hij in een bioscoopstoel zat wellicht, na het Polygoonjournaal.

                                 

 

De man die dit allemaal heeft meegemaakt

 

Wie de waarheidsaanspraken van Montyn serieus neemt en het boek kritisch leest, wordt soms geconfronteerd met bijna groteske passages. Dat was in 1982 niet de primaire reactie van recensenten en andere lezers. Hoe kon dat gebeuren?

                 Allereerst was er het culturele klimaat. Juist in het begin van de jaren tachtig verschenen de eerste egodocumenten waarin kinderen van NSB’ers hun levensverhaal openbaar maakten.4 Louis Ferron en Adriaan Venema publiceerden romans met de aantrekkingskracht van het fascisme als belangrijk thema.5 Armando was productief. De scheidslijn tussen ‘goed’ en ‘fout’ begon te vervagen. Een paar maanden na het verschijnen van Montyn hield Blom zijn geruchtmakende inaugurele rede waarin hij afstand nam van een paradigma dat tot dan toe voor de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog bepalend was geweest. Voor de beschrijving van de handelwijze van individuen waren ‘goed’ en ‘fout’ niet de meest bruikbare categorieën (Blom 1983). Het dagelijks leven van de meeste Nederlanders had zich voltrokken in het schemergebied van de accommodatie – de accommodatie waartegen de hoofdpersoon van Montyn zich in en na de oorlog bleef verzetten. De man van actie die zich onttrok aan de gezapigheid van zijn milieu en aan het Oostfront terechtkwam, was dezelfde als die na de oorlog eerste hulp verleende in een platgebrand Grieks dorp. Het was de continuïteit in zijn leven die ervoor zorgde dat hij nog weer later Vietnamese kinderen naar een veilige bestemming bracht.  

                 Over Montyn hebben zich in 1982 niet de minsten uitgelaten. Er verschenen recensies van Robert Anker in Het Parool, Graa Boomsma in De Waarheid, Tom van Deel in Trouw, Cyrille Offermans in De Groene Amsterdammer, Reinjan Mulder in NRC Handelsblad en Carel Peeters in Vrij Nederland. Wat opvalt is dat zij zonder uitzondering de leesinstructie op de kafttekst opvolgen; iedereen gaat ervan uit dat wat men voorgeschoteld krijgt in principe op feiten berust. Er bestond blijkbaar een basis van vertrouwen binnen het literaire circuit waarvan auteur en uitgever deel uitmaakten. Montyn wordt weliswaar nogal eens als een jongensboek of een avonturenroman ervaren, maar wanneer er scepsis bestaat omtrent het realiteitsgehalte wordt die gegoten in een oordeel van het soort dat in het circuit gangbaar is – niet aan de feiten wordt getwijfeld, maar aan Kooimans artistieke keuzes. Het boek wordt, zoals Schram al constateerde en zoals van literaire critici verwacht mag worden, primair onderworpen aan een esthetische leeswijze (Schram 1989, 115).

Vooral Kooimans beslissing om Jan Montyn als ik-verteller te laten optreden, vindt niet iedereen even gelukkig. Daardoor wordt de lezer alleen met Montyns eigen visie op zijn gedragingen geconfronteerd. Als er al van een visie sprake is: ‘de vertelmachine ratelt maar door, voor reflectie is geen tijd,’ schrijft Boomsma en Offermans sluit zich daarbij aan: ‘Montyn scheept de lezer nooit met lektuuronderbrekende vragen op: de alleronbegrijpelijkste gebeurtenissen zijn in Kooimans formuleringen eigenlijk volkomen begrijpelijk.’ Er wordt te weinig verzwegen en te weinig verhuld. Hetzelfde verwijt bij Van Deel: ‘Opvallend is dat er zo weinig wordt gereflecteerd in het boek. De meeste aandacht gaat uit naar wat er is gebeurd en zelden krijgt het verhaal een gelaagdheid die intrigeert en een aanwijzing is van Montyns gedachtenleven.’ Juist de ik-vorm tast volgens Anker de geloofwaardigheid aan: ‘De ik-vorm is in de literatuur een conventie die ‘intimiteit’ betekent. Maar: het is een literaire conventie, dus hij bevestigt tevens het literaire fictionele karakter van het verhaal.’ En fictie is Montyn juist niet: ‘Maar het is toch interessant te bedenken dat de keuze voor een aparte verteller, die in de derde persoon over Montyn vertelt en hemzelf aan het woord laat, het waar-gebeurd-zijn veel meer zou hebben onderstreept. En het verbijsterende van het boek is nu juist het besef dat het niet verzonnen is. Dat de man die ik hier voor mij op een foto zie staan, dit allemaal heeft meegemaakt.’

                

 

De man op de foto, die dit allemaal heeft meegemaakt, vertelt tien jaar na Montyn nogmaals zijn verhaal op de VPRO-radio. In 2004 wijdt Jan Louter een tv-documentaire aan hem, die onder de veelzeggende titel Love me or leave me wordt uitgezonden door de NPS.  Kritiekloze aanvaarding of totale verwerping – een andere mogelijkheid bestaat er blijkbaar niet voor de man die de lange weg aflegde van Oudewater naar het Thaise Pattaya. Het openingsshot toont die man niet minder veelzeggend: in een kamer in de tropen ligt hij in niets dan een korte broek op een groot, spierwit laken. Een vrijwel naakte, oude man op een maagdelijke ondergrond - boven zijn hoofd draait de ventilator die overgaat in beelden van bombarderende vliegtuigen en een brandend Vietnamees dorp. De mythe die Montyn van zijn levensverhaal had gefabriceerd krijgt nog meer dan daarvoor een moralistisch tintje. Nog nadrukkelijker heeft hij weinig waardering voor een publiek dat in tegenstelling tot de hoofdpersoon in crisissituaties ‘nooit iets doet’.6

                 Vijfentwintig jaar eerder was die mythe begonnen te ontstaan – in nachtelijke sessies waarin Dirk Ayelt Kooiman dezelfde verhalen aanhoorde. Wat toen volgde zou een  exemplarische casus kunnen zijn in de kunstsociologie van Bourdieu. Als voorman van De Revisor en productief auteur beschikte Kooiman over het symbolisch kapitaal van een grote reputatie; hetzelfde gold voor uitgeverij De Harmonie. Het maakte het hun mogelijk om de ontvangst van iets nieuws in de Nederlandse literatuur verregaand te regisseren – de ontvangst van bijna 350 bladzijden faction. Zo zich ooit in de Nederlandse letteren een proces van succesvolle orkestratie voltrok, was het in het geval van Montyn. Om de feiten in Montyn als feiten te aanvaarden, was er vertrouwen nodig in de integriteit van de producenten van de boodschap. Bij critici en lezers was dat vertrouwen ruimschoots aanwezig.7

                 De gang van zaken valt achteraf de ontvangers misschien minder kwalijk te nemen dan degenen die aan de oorsprong stonden van de mythe. Dat was misschien niet in de eerste plaats Jan Montyn. Het meest verbluffend blijft de kritiekloze adoratie waarmee Dirk Ayelt Kooiman 3600 bladzijden uitgeschreven tekst tot het boek Montyn omwerkte. In het Bulkboek uit 1989 beschrijft hij in een voorwoord hoe het in de nachtelijke sessies toeging. Niet ten onrechte valt de term ‘seance’; Montyn wordt vergeleken met een medium. Na een eerste versie van het boek gaat Kooiman terug naar Montyn en vraagt hij hem zeer gericht naar details. ‘Na een paar minuten gebeurde er iets vreemds: Montyn raakte in trance. Ik had hem gehypnotiseerd en letterlijk teruggevoerd in de toestand van toen. Ik kon hem, tot in de kleinste details, vragen wat hij zag, rook, hoorde, voelde’ (3). Wanneer hij zijn manuscript laat lezen aan een uitgever die de slag om Berlijn heeft meegemaakt, heeft hij nog minder reden om aan Montyns opmerkingsgave te twijfelen. ‘Iemand die zo’n verschrikkelijk bombardement heeft beleefd, kan er geen beeld van geven waarin een ander zich kan verplaatsen, verklaarde hij. Mij was het, met Montyn als medium, wel gelukt’ (2). Schrijversijdelheid wordt gekoppeld aan moraliteit. Niet alleen heeft Kooiman een door Joop Glimmerveen in gang gezette lastercampagne omtrent Montyns oorlogsverleden weten te stoppen, hij heeft bovendien universele ervaringen opgeroepen – ervaringen die meer zijn ‘dan de menselijke geest verwerken kan.’ Het zijn onuitsprekelijke ervaringen die ‘tientallen miljoenen mensen’ veroordelen tot een isolement. ‘Wanneer dit boek iets van het karakter van die ervaringen kan verduidelijken en zo dat isolement enigermate kan verlichten, dan heeft het een groot belang gediend’ (3).

                  Het menselijk isolement verlichten door het beschrijven van universele ervaringen – het is een functie die zomaar zou kunnen worden toegekend aan fictie. De lezer wordt getransporteerd naar het hoofd van een ander: hij maakt een denkbeeldige reis zoals Jan Montyn denkbeeldige reizen maakte. Veel van de gebeurtenissen die in het boek Montyn als feitelijk werden beschreven, berustten inderdaad op fictie. De hoofdpersoon bracht verslag uit van wat zijn bewustzijn hem presenteerde en dat was een doorlopende voorstelling van belevenissen, wensdromen en nachtmerries. Het morele doel dat Kooiman zich stelde werd bereikt: Montyn heeft veel lezers doordrongen van de poreusheid van de grenzen tussen goed en fout – van de toevalligheid van een individueel menselijk lot. Het was misschien niet alleen de uitgever die de slag om Berlijn had meegemaakt bij wie het isolement voor even werd opgeheven. Tienduizenden lezers werden geconfronteerd met wat Montyn in zijn interview op de VPRO-radio de ‘horror’ noemt – dat de volle omvang van ‘horror’ in het maatschappelijk bewustzijn neerdaalt, is misschien wel wenselijk. Toch: wanneer als feitelijk gepresenteerde ‘horror’ op fantasie blijkt te berusten, zou het effect wel eens averechts kunnen zijn. Wat zich in het bewustzijn van het individu Jan Montyn bevond, werd een folie à deux in eindeloze gesprekken op hotelkamers. Daarna werd het een succesvolle maatschappelijke mythe die – zoals dat gaat bij mythes – achteraf vooral verbazing wekt om het feit dat iemand er ooit in heeft kunnen geloven. 

 

 

Noten

 

1.    Het volledige interview is te vinden op http://www.janmontyn.net/jaren/biografie.htm.

2.    Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Poliomyelitis, een pagina die gebaseerd is op overheidsgegevens.

3.    De geloofwaardige scènes zijn wat mij betreft: het avontuur op de bergrichel op p. 70 – een avontuur dat diepe indruk maakt op het hoofdpersonage, maar minder dramatisch is dan heel wat andere in het boek; de torpedering in de Oostzee (120); de dagelijkse gang van zaken  in de loopgraven van Koerland (129); de verwonding door een granaat (152); de verwonding in Korea (259); de val in het Koreaanse ravijn (263); de zelfmoord van vriend Thom (326).

4.    Bijv. Rinnes Rijke, Niet de schuld, wel de straf; herinneringen van een N.S.B.-kind. Bussum 1982.

5.    Louis Ferron, Hoor mijn lied, Violetta. Amsterdam 1982; A. ten Hooven (ps. van Adriaan Venema), Lemmingen. Bussum 1982.

6.    Zie ook hiervoor http://www.janmontyn.net/jaren/biografie.htm.

7.    Zie voor het belang van de toekenning van integriteit bij normdoorbreking: De Jager 1992. 

 

Bibliografie

 

Anker, Robert (1982), Waanzin zonder franje. In: Het Parool 24 nov.

Blom, J.C.H (1983), In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland. Inaugurele rede UvA.

Boomsma, Graa (1982), Het niet-weten is geen excuus. In: De Waarheid 9 dec.

van Deel, Tom (1982), Montyn. In: Trouw 11 nov.

de Jager, Gert (1992), Argumenten voor canonisering; de Vijftigers in de dag- en weekbladkritiek 1949-1959. Proefschrift Utrecht.

Kooiman, Dirk Ayelt (1982), Montyn. Amsterdam.

Kooiman, Dirk Ayelt (1989), Montyn. Amsterdam, Bulkboek jrg. 17, nr. 175.

Lindo, Mary Ann (1996), interview met Dirk Ayelt Kooiman. In: Het Parool 1 nov.

Mulder, Reinjan (1982), Weer was het oorlog in mijn leven. In: NRC Handelsblad 12 nov.

Offermans, Cyrille (1982), Avonturen in een lege wereld. In: De Groene Amsterdammer 24 nov.

Peeters, Carel (1982), Met de verbeelding terug naar de werkelijkheid. In: Vrij Nederland 30 okt.

Rooduijn, Tom (1982), Kooiman over Montyn: ‘Het was een soort celstraf’. In: Haagse Post 13 nov.

Schram, D.H. (1989), Literatuur en werkelijkheid; het literariteitsprobleem gedemonstreerd aan enkele boeken over ‘foute’ Nederlanders. In: W.F.G. Breekveldt etc., De achtervolging voortgezet; opstellen over moderne letterkunde aangeboden aan Margaretha H. Schenkeveld. Amsterdam, 99-119.

 

 

© Gert de Jager 2012